l'Ipermestra
| Projectbeschrijving | Inleiding |
In 1657 werd aan het hof van de Spaanse Habsburgers de langverwachte troonopvolger geboren, Infante Felipe Próspero. Het jongetje zou al in 1661 overlijden. Zijn korte bestaan liet desalniettemin sporen na: Vélazquez meesterlijke portret is een van de kroongetuigen.

Diego Velázquez, Infante Felipe Próspero, 1659. Wenen:
Kunsthistorisches Museum, olie op doek, 128,5 x 99,5 cm
Verder vormde Felipe Próspero’s geboorte aanleiding om een festijn aan te richten voor vele prominenten in die delen van de Westerse wereld onder de invloedssfeer van het Spaanse hof. Zo ook in Florence, waar Kardinaal Gian Carlo de’Medici (1611-1663), de losbandige èn zeer kunstlievende broer van de groothertog, opdracht gaf aan zijn lijfarts Giovanni Andrea Moniglia (1624-1700) ter ere van het nieuwe prinsje een scenario te schrijven voor een gezongen drama. Het drama moest in passende praal het dynastieke belang van de geboorte onderstrepen: sterke opvolging garandeert de vernieuwing en het voortbestaan van het geslacht.
Moniglia zocht, als zoveel librettisten in zijn tijd, inspiratie in de dynastieke perikelen van heersers in de Oudheid en vond bij Aeschylus (ca. 525-456 vc) de tragedie over de ‘oorlog en inname van Argos’.
“Het stuk heeft Linceo en Ipermestra, neef en nicht, als hoofdpersonen. Zij is de dochter van Danaos, Koning van Argos. Linceo is de zoon van de broer van Danaos, Aegyptos, heerser over Egypte. Ipermestra werd door Danaos aan Linceo gegeven als bruid met het doel hem te vermoorden, net zoals de andere dochters, volgens de wens van hun Vader, aan de broers van Linceo uitgehuwelijkt werden. Dit deed men omdat Danaos onder het mom van vrede en huwelijksbedrog zich wilde redden van de uitspraken van het Orakel, dat zei dat die nazaten hem het leven en het rijk zouden ontnemen. Ipermestra echter, werd door Juno en Jupiter beschermd tegen de aanvallen van woede en verontwaardiging van Venus, die het Rijk van Argos tegen de wil van de anderen in uitgestorven wenste. Ipermestra spaarde zijn leven. Daardoor hernieuwde het koningrijk van Argos de genade van de zo genereuze en vruchtbare Femmina, voor een lange reeks van opvolgers, waaruit vervolgens de meest glorieuze Helden, ...”
Aldus, naar alle waarschijnlijkheid, Monigla zelf, in de omstandige introductie op het libretto van l’Ipermestra, dat in 1689 werd gedrukt. Nadat het concept van het stuk af was, verhaalt de introductie verder, werd het met spoed naar Venetië gestuurd, ter attentie van “de Grootste Componist van Italië, vooral voor wat betreft de dramatische stijl”, Francesco Cavalli (1602-1676).
Het werk van Moniglia en Cavalli mondde uit in een luisterrijk opera-spektakel, een festa teatrale, met balletten, magnifieke kostuums en decors, en zelfs een spectaculaire belegeringsscène, waarvoor blijkens de ons overgeleverde uitgebreide beschrijving – geïllustreerd met gravures -, kosten noch moeite werden gespaard.
Twee keer werd de opera opnieuw van de plank gehaald voor heruitvoering: in Genua 1668 en Pisa 1680. Anders dan het hofspektakel van 1658, dat vooral van hoge representatieve waarde was voor Florentijnse notabelen, werden de reprises voor betalend publiek uitgevoerd, als commerciële ondernemingen in de Venetiaanse traditie. Om winst te maken werd de opera herleid tot zijn essentie, door het schrappen van de proloog, de goden, het koor en de balletten. De kleur en rijkdom van kostuum en decor, bleven – op z’n Venetiaans – gehandhaafd, evenals het gebruik van ingewikkelde machinerieën en imponerende effecten. Want ook wanneer voor bezoek betaald moest worden, bleef (en blijft) de speciale attractie van opera het strelen van het oor en het oog, en het bespelen van alle emotionele registers.
Foto: Marco Borggreve
De grootste componist van Italië ●
Cavalli is, na Monteverdi (1567-1643), de meest representatieve en, in zijn tijd, meest uitgevoerde componist van zogenaamd commerciële opera's. Van de hedendaagse uitvoeringspraktijk zou men echter de indruk kunnen krijgen dat met opvoering na opvoering van Monteverdi's werk de 17de-eeuwse Italiaanse opera-literatuur is ontsloten.
Cavalli’s muzikale loopbaan begon in 1616 als jongens-sopraan in het koor van de San Marco, Venetië, dat onder leiding stond van Claudio Monteverdi. Het is duidelijk dat de 25 jaar die hij onder Monteverdi werkte een grote invloed hebben gehad op zijn muzikale stijl. Tussen 1639 en 1671 schreef hij meer dan 30 opera's waarvan er 28 zijn bewaard gebleven, die te vinden in de Contarini collectie van de Venetiaanse Biblioteca Marciana. De meeste van Cavalli’s opera’s zijn geschreven voor kleine commerciële theaters.
Van de handschriften in de Contarini collectie, zijn er tot nu toe slechts een handvol van de planken gehaald om opnieuw te worden uitgevoerd; het gaat dan bovendien vrijwel alleen om partituren waarvan een moderne uitgave is gemaakt. De meeste partituren in de Contarini collectie zijn door een kopiïst uitgeschreven, maar een aantal, waaronder l’Ipermestra, zijn in Cavalli’s handschrift: ze zijn werkelijk gebruikt tijdens de repetities en uitvoeringen. De ingrepen van de componist tijdens het repetitieproces zijn mooi te volgen in de partituur, die vol staat met aantekeningen en verbeteringen.
Foto: Marco Borggreve
Festa teatrale
l’Ipermestra is uitzonderlijk en niet alleen omdat het geannoteerde manuscript van de componist zelf geraadpleegd kan worden. Schrijft Cavalli zijn opera’s vóór l’Ipermestra voor theaters in Venetië (waarin hij zelf ook zakelijke belangen heeft), op het hoogtepunt van zijn roem rond 1655, begint hij het mecenaat te genieten van niet-Venetianen als de Florentijnse Kardinaal Gian Carlo de’Medici. Na l’Ipermestra zal hij zelfs naar Frankrijk genodigd worden om ter ere van het huwelijk van Lodewijk XIV in Parijs een opera te componeren, Ercole amante (1662).
Volgens sommige bronnen was de partituur voor l’Ipermestra al in 1654 in het bezit van Kardinaal Gian Carlo. Blijkbaar werd met uitvoering gewacht tot een passende gelegenheid zich voordeed. Over de relatie tussen partituur en libretto in de totstandkoming is niets bekend; in elk geval is het gedrukte verslag uit 1689, waarin het libretto met grote haast naar Venetië werd getransporteerd om op muziek te worden gezet, een verdichtsel.
Hetzelfde zal ongetwijfeld tot ook gelden voor de rest van het verslag: alle pracht van dit festa teatrale moet met een korrel zout genomen worden. Niettemin is het waardevol en uitzonderlijk dat een gedetailleerde beschrijving bestaat van het theater, de artistieke staf met solisten, koor en dansers, de 300 kostuums (in Londen zijn nog originele tekeningen te vinden), de 12 scène-wisselingen (waarvan gravures zijn opgenomen in het libretto) en 30 theatermachines. Ondanks enige overdrijving moet dit festijn bestaande uit een proloog, drie aktes, twee balletti en een combattimento (gevecht) met 50 ruiters, bepaald imponerend zijn geweest.
Cavalli’s muziek voor l’Ipermestra getuigt van een grote rijpheid en verraadt de hand van een componist die inmiddels een grootmeester was geworden in het “bij anderen uit hun hart losmaken van de tederste en deerniswekkendste gevoelens die het meest passend zijn voor het uitdrukken van de woorden en van de Poëtische gebeurtenissen”. Aria's, (liefdes-)duetten, kwartetten, koren, lamenti, uitgeschreven ritornelli en sinfonie, accompagnato-aria's en –recitatieven: l’Ipermestra is in muzikaal opzicht zonder twijfel een van de rijkste opera's uit de 17de eeuw.
De Utrechtse interpretatie van l’Ipermestra is muzikaal gebaseerd op de oorspronkelijke Florentijnse partituur, de enige die ons rest. De benadering isl echter meer die van de latere, commerciële uitvoeringen. Een deel van de partituur, dat ontbreekt in het handschrift, de sinfonia, is door Mike Fentross, dirigent, gereconstrueerd.

Foto: Marco Borggreve
